Over de auteur
Ilya is bestuurslid bij SLP Brasschaat
Juli 2009: een zestal jonge gasten van ongeveer 15 jaar, vrienden van school, maten van de voetbalclub zoeken elkaar al lang geregeld op aan het speelpleintje Hulshout in de wijk Kaart. Het ‘pleintje’ is al jaren ontdaan van elk zitmeubilair, wel voorzien van een skateramp, een hondenwei en een speeltuintje voor de kleinsten, maar slechts van één vuilbak die veel te weinig geledigd wordt.
Ze brengen al wel eens een zeteltje mee, maken een shelter van een plastic afdekzeil en zetten er een tafeltje bij, gekregen van een buurtbewoner wiens tuin aan ‘het pleintje’ grenst. Jongeren op zoek naar een ontmoetingsplaats. Ze zijn het clubhuis en de boomhut ontgroeid. Ze zoeken mekaar op, liefst niet meer thuis maar ergens op een toffe plek waar ze kunnen grappen en grollen, een balletje stampen, skaten,…. En ja, ook een pintje drinken en een ‘safke’ smoren. Hangjongeren…
Augustus 2009: wanneer één van de jongeren in de vooravond op ’t pleintje arriveert, treft hij een brandend kamp aan, met er rond een aantal mannelijke buurtbewoners. De brandweer blust de zaak en ruimt het boeltje op. Kwaad opzet? Niemand weet het… De jongeren zelf denken van wel. Zij gaan hun eigen stek toch niet in brand steken, zeker!
Van de weerga gaan zij opnieuw aan de slag om hun ontmoetingsplek her op te bouwen, met vereende krachten en vooral: groter en beter. Van her en der worden afgedankte zetels en stoelen aangesleept. Daarboven worden grote dekzeilen gespannen. Alsof het hun eigen huis is, plaatsen ze er zelfs een vuilnisbak in en voorzien ze die van plastic vuilzakken, die ze wanneer ze vol zijn netjes toebinden en bij die ene vuilbak plaatsen op het pleintje. Een actie die indruist tegen het beeld van jongeren die hun afval overal achteloos dumpen.
De plek kent succes. In september, in volle nazomer, komen jongeren tussen 15 en 18 jaar er na school samen, ploffen zich in de zetels, spelen er voetbal, lachen en praten…
Buurtbewoners, vaak bang voor al die jongeren en de ‘overlast’ die ze bezorgen, vragen op een ochtend aan
dienstdoende werklieden van de gemeente: “Wanneer gaan ze dien boel hier ne keer opruimen?” “Als we de opdracht krijgen…” Schouderophalend vertrekken de werkmannen met wat afval naar hun vrachtwagen. Van overlast, drank- en zelfs softdruggebruik blijft ook deze buurt niet gespaard.
Twee vaders van jongeren, veertigers die de hond uitlaten, vangen dit korte gesprek op tussen de buurtbewoner en de werklieden. De ene zegt: “Eigenlijk is dat wel makkelijk gezegd. Die jongeren hebben immers helemaal geen plek om naar toe te gaan zoals wij vroeger hadden: het jeugdhuis “Harten aas” op de Kaart.”
Eind oktober 2009: de jongeren treffen een brief van de gemeente aan, vastgepind aan het dekzeil. Zij moeten het kampement voor 6 november volledig afbreken en alle materialen van het pleintje weghalen. Zo niet, doet de gemeente het op kosten van de jongeren.
Voorgaand relaas is waar en illustreert hoe een samenleving omgaat met iets wat scheef loopt: oudere bewoners die het jonge geweld niet willen of kunnen verdragen en een gemeente die moeite heeft om standpunten te verzoenen, om jongeren en buurtbewoners te laten samenleven. Een beleid dat er op gericht is om steeds te luisteren naar de hardste roepers, de grootste klagers… is daar plaats voor oplossingen op langere termijn? Neen. Dat beleid ruimt de boel op en denkt dat het hiermee is opgelost…
Een beleid dat een jeugdwerker voorziet om de dialoog aan te gaan met jongeren, met hun ouders, met de buurtbewoners, een beleid dat mensen, middelen en zo nodig infrastructuur voorziet voor een jeugdwerking, … dat beleid kan antwoorden bieden op gestelde samenlevingsproblemen. Vanuit een onderbouwd jeugdbeleid kunnen plekken voorzien worden waar jongeren samenkomen, los van het commerciële circuit, waar zij medezeggenschap hebben over hun plek en de activiteiten die er plaatsvinden en waar er een zekere vorm van toezicht is (jeugdwerker, volwassen begeleiders, …).
Het (Brasschaats) jeugdbeleid is van in de jaren negentig begrijpelijk gericht op de infrastructurele omkadering van jeugdverenigingen, van de bestaande jeugdclubs en op het fuifgebeuren. Maar wordt het niet hoog tijd dat het beleid een lange termijn jeugdwerking in alle wijken gaat organiseren met aandacht voor alle categorieën van jongeren, ook van de “hangjongeren”? Het is de morele plicht van een gemeente om voor alle inwoners, oud, maar ook jong (!), een aangenaam leefkader te voorzien. Zoals er zandbakken en knusse speeltuintjes zijn voor de kleine kindjes, kinderopvang voor en na school, cultuur, bibliotheken en sportinfrastructuur voor iedereen, petanquebanen en dienstencentra voor de ouderen, zo zouden er ook in alle wijken professionele jeugdwerkers actief moeten zijn voor de ongebonden en zoekende jongeren.
Onze partij wil het bestuur aanzetten om meer/eerst te investeren in mensen en werking en minder/naderhand in gebouwen. Het is ook zo dat, als elke wijk een jongerencentrum zou hebben, er nog altijd jongeren zullen zijn die tenten blijven bouwen. Ze zullen niet stoppen omdat er een jeugdhuis in hun wijk is. Daarom is het belangrijk in de eerste plaats te investeren in goede jeugdwerkers. Jeugdwerkers die begrijpen dat jongeren jong zijn en willen wat een ander niet wil en niet willen wat het bestuur wil. Voorzieningen zoals luifels, zitbanken of hangmatten op trefplaatsen voor jongeren, of een voorziening zoals een jeugdhuis, … kunnen het gevolg zijn van een dergelijke jeugdwerking.